Indymedia.be is niet meer.

De ploeg van Indymedia.be is verhuisd naar DeWereldMorgen.be waar we samen met anderen aan een nieuwswebsite werken. De komende weken en maanden bouwen we Indymedia.be om tot een archief van 10 jaar werk van honderden vrijwilligers.

Moet België nog ontwikkelingshulp aan Peru geven ?

Moet België nog ontwikkelingshulp aan Peru geven ?

Het is de bedoeling van Charles Michel, de huidige Minister van Ontwikkelingssamenwerking, om de ontwikkelingshulp van ons land in de toekomst te concentreren op een beperkt aantal landen. Welke landen als “winnaars” uit de bus zullen komen en welke de criteria zijn die gebruikt worden om de selectie te maken, is vandaag nog niet geweten.

Peru.gif

thierry debels is economist

Op papier heeft België eigenlijk al een goede concentratie. Volgens de wet van 1999 die de ontwikkelingssamenwerking regelt, is er immers sprake van slechts 18 landen. In de praktijk geeft België (directe bilaterale) hulp aan maar liefst 36 landen. Laten we er ter illustratie de cijfers van DGOS - het vroegere ABOS - er bij nemen. DGOS staat voor Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking.

In 2007 werden 16 overeenkomsten getekend met Congo voor een totaal bedrag van bijna 60 miljoen euro. Zelfs in het kader van de huidige spanningen tussen ons land en Congo, is er weinig discussie over de wenselijkheid van deze overeenkomsten. Ze slaan bijvoorbeeld op de heraanleg van landbouwwegen tot de bouw van drinkwatersystemen.

Anders is het als we vaststellen dat er eveneens 3 overeenkomsten werden getekend met Peru. Zo is er 2,3 miljoen euro uitgetrokken voor ‘drugspreventie en rehabilitatie van verslaafden’ in dat land. Twee andere overeenkomsten met Peru gesloten in 2007 hebben een totale waarde van 5,4 miljoen euro. Alles samen heeft België met Peru contracten afgesloten inzake ontwikkelingssamenwerking voor een bedrag van 7,7 miljoen euro.

Binnen de Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Kamer wordt op dit ogenblik volop gedebatteerd over de herziening van de wet van 1999. Deze wet regelt de ontwikkelingshulp van ons land. Ook over het voorstel van Minister Michel over het beperken van het aantal landen dat ontwikkelingshulp van België krijgt, wordt gedebatteerd.

Een van de vragen die eveneens aan bod komt tijdens de vergaderingen, is of België nog ontwikkelingshulp moet geven aan zogeheten middeninkomenslanden zoals Peru. Een recente tussenkomst van Bogdan VandenBerghe, voorzitter van 11.11.11, suggereert alvast dat de koepel vindt dat we dergelijke landen verder moeten blijven steunen.

Het is volgens een tussenkomst van de voorzitter van de koepel in de Commissie belangrijk om ‘een aantal landen te nemen die al in een proces van ontwikkeling zitten’. Zijn argumentatie is dat we op die manier kunnen ‘nagaan wat de succesfactoren zijn geweest voor ontwikkeling in een land’. Er zijn volgens mij betere en bovendien goedkopere methodes om deze succesfactoren te ontdekken. Bovendien weten we onderhand welke deze factoren zijn: vrijhandel, privé-initiatief, liberalisering, micro-financiering.

Het debat dat Charles Michel terecht op gang wil brengen, kadert eigenlijk binnen een legitieme vraag naar meer efficiency en effectiviteit van de ontwikkelingshulp. Efficiency betekent ‘de dingen goed doen’. Effectiviteit is dan weer ‘de goede (=juiste) dingen doen’.

Het begrip efficiency heeft dus alles te maken met de manier waarop ‘inputs’ in ‘output’ worden omgezet. Meestal wordt het concept toegepast op een industriële onderneming. Maar waarom zouden we onze ontwikkelingssamenwerking op deze manier niet mogen analyseren? De vraag is immers ook hoe efficiënt de heraanleg van het drinkwatersysteem in Congo verloopt. En ook, hoe eerlijk hierover gerapporteerd wordt.

Effectiviteit heeft dan weer te maken met de keuze van de juiste doelen. Laten we een fictieve ngo nemen die aan ‘Zuidwerking’ doet. Hiervoor worden projecten geselecteerd die hopelijk iets verbeteren aan de plaatselijke ontwikkeling. De organisatie kan zeer efficiënt zijn - bijna al het ontvangen geld gaat naar de gekozen projecten. Toch kan de effectiviteit laag zijn als de gekozen projecten maar weinig toegevoegde waarde voor de plaatselijke bevolking oplevert .

Het gaat dus om twee verschillende begrippen die vaak door elkaar gehaspeld worden. Een gebrek aan effectiviteit kan nooit gecompenseerd worden door een hoge efficiency. Volgens managementspecialist Peter Drucker is effectiviteit eigenlijk dé sleutel voor ‘gewone’ ondernemingen. Voor ontwikkelingssamenwerking is dat zelfs in versterkte mate zo. Voordat we ons kunnen richten op een efficiëntere aanpak van onze ontwikkelingssamenwerking, moeten we eerst zeker weten dat we de ‘juiste dingen’ doen.

Een vraag naar het terugdringen van het aantal landen dat (directe bilaterale) hulp ontvangt, kadert dus binnen die beweging naar meer effectiviteit. Wat is overigens meer dringend: het verlengen van het mandaat van een ombudsman in Bolivia (1,6 miljoen euro) of de heraanleg van drinkwatersystemen in Congo (2 mio euro)?

In een perfecte wereld zonder budgettaire beperkingen moet er uiteraard niet gekozen worden tussen beide projecten. Er moeten geen prioriteiten gesteld worden. Alle interessante en belangrijke projecten worden geselecteerd en uitgevoerd.

In de werkelijkheid moeten er wel keuzes gemaakt worden. Een van die keuzes gaat inderdaad over de landen die België in de toekomst wil blijven ondersteunen. Een van de criteria kan wellicht de ontwikkeling van het land zijn. Is het niet logisch dat lageinkomenslanden meer aanspraak maken op Belgisch geld dan landen die zich al verder in de ontwikkelingfase bevinden?

Internationale Solidariteit

Beste mijnheer Debels,

Het siert u dat het onderwerp van ontwikkelingssamenwerking u nauw aan het hart ligt. Na een aantal op zijn minst omstreden uitspraken van uw kant, heeft u nu blijkbaar een juiste toon gevonden.

Een juiste toon, maar niet de juiste argumenten. Samenwerking is in mijn ogen tussen gelijkwaardige partners. Dit hoeft niet te zijn tussen landen met eenzelfde BNP, maar hoeft anderzijds niet beperkt te blijven tot relaties tussen hele rijke en hele arme landen.

Bijkomend vind ik het belangrijk te wijzen dat er wél vooruitgang kan zijn in een land, te wijten aan meer handel en financiële stimulansen in bepaalde sectoren. Maar dit is allerminst een garantie voor een goede verdeling van de welvaart in een land.

Samenwerking met 'middeninkomenslanden' blijft dus noodzakelijk, voornamelijk in sectoren zoals publiek toegankelijk onderwijs, sociale zekerheid, gezondheidszorg, justitie, ... .

Natuurlijk moeten we keuzes maken. Die keuzes moeten we maken in overleg met de internationale gemeenschap. Dat de Belgische regering zich als voogd van die landen mag beschouwen omdat ze enkele miljoenen ontwikkelingsgeld geven, dat is een scheefgetrokken verhouding. Diplomatie moet van alles het begin zijn. Geld is belangrijk voor de uitvoering van programma's.

Maar men moet wel eerlijk blijven. Er gaan jaarlijks honderden miljarden wereldwijd naar wapens. Voor ontwikkelingssamenwerking, onderwijs, gezondheidszorg, ondersteuning van lokale economie, etc. is dit wereldwijd slechts enkele tientallen miljarden. Ook België grijpt opnieuw naar oorlogslogica, investeert in wapens en stuurt F16' naar Afghanistan. Wat wil men in die wetenschap met diplomatie bereiken? Het is een doekje voor het bloeden, meer niet. Er worden zaken bereikt, er zijn lichtpuntjes, maar als we de globale werkelijkheid beschouwen, zijn het druppels op een hete plaat. In dat licht spreken over efficiëntie van ontwikkelingssamenwerking, is voor mij toch zinvol, maar het mag alleszins geen valse illusies opwekken. Internationale relaties moeten gebaseerd zijn op samenwerking en niet op het bestrijden van symptomen van het eigen neo-koloniale, militaristische beleid. De grootmachten kunnen wat verschuiven, de witte olifanten worden misschien blauwe of zwarte, maar het gras blijft vertrappeld worden.

Ik vind het goed om over de rol van ontwikkelingssamenwerking na te denken, maar we moeten het geen te hoog profiel toedichten. Ontwikkelingssamenwerking kan de problemen van het falende beleid niet oplossen. Daarvoor is een radicaal andere visie op de internationale samenleving nodig. Ik wil ervoor pleiten, om naast de rol van ontwikkelingssamenwerking, te spreken over de invulling van het begrip 'Internationale Solidariteit'.

Daarbij mag het duidelijk zijn dat het gaat om meer dan hulpverlening om de ergste nood te lenigen. Het gaat om fatsoenlijke internationale relaties in alle sectoren van het leven: zowel voor het milieu, sociale kwesties, handelsrelaties als culturele verbanden.

Internationale Solidariteit is ruimer dan ontwikkelingssamenwerking. Het gaat echt om twee- (of meer)richtingsverkeer, waarbij de wederkerigheid niet bestaat uit valuta of grondstoffen, maar uit de wil om overal en altijd de leefbaarheid van onze enige planeet aarde te verzekeren.

Enkele cijfers:

- voor het behalen van de milleniumdoelstellingen is jaarlijks wereldwijd 35 miljard dollar nodig. Dit is een fractie van het jaarlijks budget dat aan militaire industrie wordt besteed.

- om alle kinderen in 2015 naar school te sturen, is jaarlijks 5 miljard dollar nodig. Dit is minder dan 1 dollar per jaar per aardbewoner.

- om lokale landbouwers te ondersteunen en de voedselcrisis uit de wereld te helpen, is 19 miljard dollar nodig gespreid over de volgende drie jaar. Maar met investeringen alleen komen we er niet. Het globale beleid moet veranderen!